Begin bij je eigen product of dienst. Wat heb je nodig om die te maken en bij je klant te krijgen? Voor een voedingsmiddelenbedrijf zijn landbouwgewassen een voor de hand liggend voorbeeld. De teelt daarvan hangt onder meer samen met vruchtbare bodems, voldoende water en bestuiving. Een kledingbedrijf gebruikt bijvoorbeeld katoen of leer. Een producent kan hout, papier, rubber of natuurlijke ingrediënten inkopen.
Ook als je zelf weinig natuurlijke grondstoffen gebruikt, zitten ze vaak verder terug in je keten. Een kantoor koopt bijvoorbeeld papier, meubels, voedsel en elektronische apparatuur in. Achter die producten zitten weer grondstoffen, productielocaties en leveranciers. Zo loopt de relatie met biodiversiteit al snel verder dan je eigen bedrijfsterrein.
Bedrijven gebruiken niet alleen producten uit de natuur. Ze zijn ook afhankelijk van processen in de natuur. Een gezonde bodem helpt gewassen groeien. Insecten bestuiven veel landbouwgewassen. Natuurlijke systemen zuiveren water en houden water vast. Bossen, zeeën en andere ecosystemen leveren grondstoffen die bedrijven verwerken en verkopen. Deze functies van de natuur heten ook wel ecosysteemdiensten: ze vormen de brug tussen biodiversiteit en onze economie. Zonder deze diensten zouden veel producten, grondstoffen en bedrijfsactiviteiten niet mogelijk zijn.
De vier soorten ecosysteemdiensten zijn:
Leverende diensten. Voedsel, drinkwater, hout, vis en andere grondstoffen die bedrijven dagelijks gebruiken.
Regulerende diensten: Bestuiving van gewassen, waterzuivering, klimaatregulatie en bescherming tegen overstromingen.
Culturele diensten: Groen draaft bij aan recreatie, toerisme, gezondheid en een aantrekkelijke omgeving om te wonen en werken.
Ondersteunende diensten: Bodemvorming, fotosynthese en natuurlijke kringlopen die ervoor zorgen dat planten kunnen groeien en ecosystemen blijven functioneren.
Zolang deze diensten goed werken, vallen ze vaak nauwelijks op. Maar zodra ze onder druk komen te staan, kunnen de gevolgen heel concreet worden: lagere opbrengsten, slechtere kwaliteit van grondstoffen, hogere inkoopkosten of meer onzekerheid in de keten. Biodiversiteit wordt pas echt tastbaar als je kijkt naar wat jouw bedrijf nodig heeft om te kunnen leveren.
Bij biodiversiteit ligt de aandacht al snel op de eigen locatie. Voor veel bedrijven zit een belangrijk deel van de relatie met natuur juist bij leveranciers. Neem katoen. Een bedrijf dat kleding verkoopt, verbouwt dat katoen meestal niet zelf. Toch heeft de katoenteelt water en een gezonde bodem nodig. Hetzelfde geldt voor cacao, koffie, hout, papier, rubber en veel andere grondstoffen.
Daarom zegt alleen kijken naar je eigen pand of terrein weinig over je volledige afhankelijkheid van biodiversiteit. Ook de herkomst van grondstoffen en de activiteiten van leveranciers tellen mee. Dat maakt biodiversiteit een ketenvraagstuk. In Hoe biodiversiteitsverlies een bedrijfsrisico wordt lees je hoe biodiversiteitsverlies kan doorwerken in kosten, leveringszekerheid en andere bedrijfsrisico’s.
De relatie werkt twee kanten op. Je bedrijf gebruikt wat natuur oplevert en oefent via de bedrijfsactiviteiten ook invloed uit op die natuur. Die invloed zit bijvoorbeeld in de grondstoffen die je inkoopt, het water dat je gebruikt of de ruimte die bedrijfsactiviteiten innemen. Ook productie bij leveranciers kan invloed hebben op ecosystemen. Daarom zijn twee vragen belangrijk wanneer je meer oog wil hebben voor biodiversiteit in je business:
- Waar is mijn bedrijf afhankelijk van natuur?
Kijk naar belangrijke grondstoffen, water, producten en leveranciers.
- Waar heeft mijn bedrijf invloed op natuur?
Kijk naar je eigen activiteiten en naar wat er voor jouw producten verderop in de keten gebeurt.
Die twee vragen geven meer houvast dan proberen om biodiversiteit in één keer volledig in kaart te brengen.
De aandacht voor biodiversiteit groeit. Bedrijven, financiële instellingen en overheden willen beter begrijpen welke invloed ondernemingen hebben op natuur en waar hun afhankelijkheden liggen. Daardoor komt het onderwerp vaker terug bij inkoop, ketens, financiering en rapportage.
Ook als jouw bedrijf zelf niet onder bepaalde rapportageverplichtingen valt, kun je daardoor wel vragen uit de keten krijgen. In Wat vraagt wet- en regelgeving over biodiversiteit? lees je waar die vragen vandaan komen en wat onder meer de CSRD, EUDR en VSME hiermee te maken hebben.
Een apart en uitgebreid biodiversiteitsprogramma opzetten is overigens niet meteen nodig. Begin gewoon met je eigen bedrijfsvoering. Welke grondstoffen zijn belangrijk? Waar komen ze vandaan? Welke natuurlijke hulpbronnen zijn nodig om jouw product of dienst te leveren? Met dat inzicht zie je waar biodiversiteit jouw bedrijf daadwerkelijk raakt. Daarna kun je gerichter onderzoeken welke bedrijfsrisico’s daarbij horen en welke informatie klanten of wetgeving van je vragen.